Medicamenteus beleid

Instelfase

 

Bepaal de indicatie voor behandeling met antihypertensiva, cholesterolverlagers en/of thrombocytenaggregatieremmers op basis van het al dan niet doorgemaakt hebben van een hart- en/of vaatziekte, de leeftijd en de hoogte van de systolische bloeddruk en het LDL.

Volgens de NHG -standaard CVRM wordt dit aanbevolen voor patiënten met:

  • een doorgemaakte HVZ.
  • een zeer hoog risico >10% op sterfte aan HVZ binnen 10 jaar.
  • een hoog risico 5-10% op sterfte aan HVZ binnen 10 jaar.
  • een SBD > 180 of een TC >8.

Overweeg Bij 70-plussers de voor- en nadelen van medicamenteuze behandeling, waarbij je rekening houdt met individuele omstandigheden en co-morbiditeit.

Na de start van medicamenteuze behandeling en na aanpassing van dosering of medicatie zijn er in de eerste periode extra controlebezoeken. Voor aanvullend onderzoek bij de start en continueren medicamenteuze therapie, zie de indicaties voor laboratoriumbepalingen bij CVRM. patiënten in de keten CVRM hebben een verhoogd risico op DM2. Wij adviseren daarom één keer per 3-5 jaar de nuchtere glucosete laten bepalen.
NB: bepaling van de HbA1c is niet geïndiceerd binnen de keten CVRM.

Handige links:

Bloeddruk

Iedere bloeddruk boven de specifieke streefwaarde kun je zien als verhoogde bloeddruk waarvoor behandeling, al dan niet medicamenteus, overwogen moet worden. Overweeg behandeling als een spreekkamerbloeddruk ≥ 180 mmHg systolisch is en dus sterk verhoogd. De richtlijn gebruikt systolische bloeddruk voor risicostratificatie en streefwaarden.

Aanbevelingen

  • Evalueer de bloeddruk door meerdere spreekkamermetingen. Gebruik bij een behandelindicatie ook een ambulante meting (zie het stroomschema).
  • Doe een 24-uursmeting (voorkeur) of een geprotocolleerde thuismeting om een wittejas-hypertensie uit te sluiten. Als dat niet haalbaar is, kun je een BP30-meting gebruiken.
  • Voel de pols bij het meten van de bloeddruk om personen met atriumfibrilleren op te sporen.

De indicatie voor behandeling wordt vooral bepaald door het absolute cardiovasculaire risico. Behandeling kun je overwegen bij (relatief jonge) personen met een laag tienjaarsrisico. Weeg dit af tegen onzekerheden over de effectiviteit van behandeling en de voorkeur van de patiënt.

Evalueer het beleid (zie Onvoldoende verbetering: beleid bij therapieresistentie) als de bloeddruk onvoldoende reageert ondanks behandeling met drie middelen in maximale dosering. Verwijs zo nodig naar de tweedelijn volgens het wisselprotocol en de verwijscriteria.

Handige links:

Lipiden

Bepaal bij aanvang van lipidenverlagende medicatie het LDL-cholesterol (als dat nog niet bekend is).
Maak voor de dosering van een statine een keuze volgens de gewenste procentuele daling van het LDL-cholesterol. De gewenste LDL-daling kun je bepalen in onderstaande tabel met behulp van de onbehandelde LDL-cholesterolwaarde en de streefwaarde die past bij het risico van de patiënt.

Berekening van de LDL-daling


 

Handige links:

 
De oudere patiënt in de keten

Een van de meest controversiële onderdelen van cardiovasculaire preventie is de vraag of ouderen, die vooral vanwege hun leeftijd – en bijna ongeacht hun overige risicoprofiel – een hoog risico op hart- en vaatziekten hebben, in aanmerking komen voor medicamenteuze preventie. Het stimuleren van een gezonde leefstijl, zoals voldoende lichaamsbeweging en goede voeding, geldt ook voor ouderen. (zie noot 23)
Bij de overweging om ouderen medicamenteus te behandelen spelen veel factoren een rol, zoals:

  • de beschikbare evidence uit trials.
  • de levensverwachting.
  • gezondheidstoestand van het individu.
  • aan- of afwezigheid van hart- en vaatziekten.
  • mogelijke bijwerkingen van de medicatie.
  • de voorkeuren van de patiënt.

Handige links: